RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10683209 CV EXPL 23-23981
datum uitspraak: 4 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1. [naam stichting],
2. [naam C.V.],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eisers in conventie, verweersters in reconventie,
gemachtigde: mr. Th.C. Visser,
tegen
[persoon A] ,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. B. Coskun.
De partijen worden hierna ‘[naam stichting]’ ‘[naam C.V.]’ en ‘[persoon A]’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 4 oktober 2024, en de processtukken die daarin zijn genoemd;
de akte uitlaten van [naam stichting], met bijlagen;
de antwoordakte bewijslevering van [persoon A], met bijlagen;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 20 februari 2026;
de conclusie na enquête en schriftelijke (tegen)bewijslevering van [naam stichting], met bijlagen;
de conclusie na enquête en na schriftelijke (tegen)bewijslevering tevens antwoord op de conclusie na enquête van [naam stichting], van [persoon A].
2. De verdere beoordeling
Wat is de kern?
[persoon A] huurt sinds 1999 een bedrijfsruimte in Rotterdam en exploiteert daarin een snackbar. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter (onder andere) geoordeeld dat [naam stichting] de verhuurder is. Dat betekent dat de vorderingen van en tegen [naam C.V.] worden afgewezen. [naam stichting] heeft de huurovereenkomst opgezegd op 18 juli 2022, omdat zij de fundering wil herstellen, de ruimte wil renoveren en die wil omvormen tot woning. [persoon A] heeft niet toegestemd in de beëindiging van de huurovereenkomst. [naam stichting] eist daarom dat de kantonrechter een tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst zal eindigen en dat [persoon A] wordt veroordeeld om de ruimte te ontruimen.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat het gaat om de vraag of er een dringende noodzaak is om de ruimte om te vormen tot woning. Volgens [naam stichting] is dat het geval omdat het rendement en de boekwaarde van de ruimte daardoor aanzienlijk zullen stijgen. De kantonrechter heeft [naam stichting] opgedragen dat te bewijzen. [naam stichting] heeft daarop schriftelijk bewijs geleverd. [persoon A] heeft schriftelijk tegenbewijs geleverd en ook de heer [naam] als getuige laten horen.
De kantonrechter oordeelt dat [naam stichting] is geslaagd in de bewijsopdracht. Zij stelt daarom het einde van de huurovereenkomst vast op 28 februari 2027. [persoon A] heeft op haar beurt verschillende tegeneisen ingesteld. Die wijst de kantonrechter af. Dat wordt in dit vonnis toegelicht.
De financiële onderbouwing van [naam stichting]
[naam stichting] heeft in het kader van de bewijsopdracht gesteld dat de dringende noodzaak volgt uit de stijging van drie indicatoren: het jaarrendement, het bruto-aanvangsrendement (BAR) en het mogelijke verkoopresultaat. Dat heeft zij als volgt berekend.
Winkel
Woning
Verschil
Jaaropbrengst huur
€ 12.156,00
€ 33.000,00
€ 20.844,00
Kosten per jaar
Afschrijving aankoop
€ 814,00
€ 814,00
-
Financiering
€ 1.872,20
€ 1.872,20
-
Vaste lasten
€ 750,00
€ 750,00
-
Afschrijving verbouwing
€ 9.800,00
€ 18.700,00
€ 8.900,00
Beheerskosten 2,5%
€ 303,90
€ 825,00
€ 521,10
Totale kosten per jaar
€ 13.540,10
€ 22.961,20
€ 9.421,10
Jaarrendement
€ -1.384,10
€ 10.038,80
€ 11.422,90
Investeringskosten
Aankoop
€ 60.000,00
€ 60.000,00
-
OVB
€ 3.600,00
€ 3.600,00
-
Notariskosten
€ 1.800,00
€ 1.800,00
-
Projectmanagement
€ 16.000,00
€ 16.000,00
-
Funderingsherstel
€ 119.000,00
€ 119.000,00
-
Kelderbak
€ -
€ 66.000,00
€ 66.000,00
Bouwkosten
€ 77.000,00
€ 189.000,00
€ 112.000,00
Totale investeringskosten
€ 277.400,00
€ 455.400,00
€ 178.000,00
BAR
4,38%
7,25%
2,87%
Verkoopwaarde
€ 176.262,00
€ 682.500,00
€ 506.238,00
Verkoopresultaat
€ -101.138,00
€ 227.100,00
€ 328.238,00
De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Het jaarrendement stijgt aanzienlijk bij omvorming tot een woning
De kantonrechter oordeelt dat [naam stichting] is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat het jaarrendement aanzienlijk stijgt bij een omvorming van de ruimte tot woning. Het gaat daarbij om de opbrengst per jaar min de jaarlijkse kosten. De daarvoor relevante posten zal de kantonrechter hierna achtereenvolgens behandelen. Het uitgangspunt daarbij is dat de dringende noodzaak aannemelijk moet zijn. Het gaat er dus niet om dat elk bedrag precies vast moet staan.
[persoon A] heeft er op gewezen dat cijfers die [naam stichting] heeft aangeleverd in het kader van de bewijslevering afwijken van de cijfers die zijn genoemd tijdens de (eerdere) mondelinge behandeling en dat zij verschillende rendementsberekeningen hanteert. Dat is juist. Dat is voor de kantonrechter echter op zichzelf geen reden om niet uit te gaan van de cijfers die in het kader van de bewijslevering door [naam stichting] zijn aangeleverd. Het gaat voor een belangrijk deel ook om taxaties en inschattingen. Die cijfers zijn naar hun aard tijdsgebonden en voor een deel subjectief en kunnen met verschillende berekeningsmethoden worden benaderd.
De jaaropbrengst is voor de winkel € 12.156,- en voor de woning € 30.000,-
Er is geen discussie over dat de huidige huurprijs van de bedrijfsruimte € 1.013,- per maand is. Dat leidt tot een jaaropbrengst van € 12.156,- (12 x € 1.013,-).
[naam stichting] gaat ervan uit dat zij na de omvorming tot woning een maandhuur van € 2.750,- kan realiseren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij gesteld dat een huurprijs van € 20,- per vierkante meter realistisch is. Dat heeft zij onderbouwd met een overzicht van vier panden die te huur worden aangeboden op Funda in Rotterdam Noord, de wijk waarin de ruimte ligt. Deze panden hebben een gemiddelde vierkante meterprijs van € 19,66. Dat is op zichzelf niet betwist door [persoon A]. In deze procedure heeft [naam stichting] steeds gesteld dat de ruimte (na de verbouwing tot een woning) 140 m2 is. Een gemiddelde prijs van € 19,66 leidt dan tot een huurprijs van € 2.752,40 (140 x 19,66).
In het kader van de bewijslevering heeft [naam stichting] echter ook een verhuuradvies overgelegd waarin staat dat voor de verhuur van een dubbel benedenhuis aan de [straatnaam] te [locatie ] met een oppervlakte van 160 m2 een huurprijs van € 2.500,- tot € 3.000,- haalbaar is in de huidige markt. Het midden daarvan is het bedrag van € 2.750,- dat [naam stichting] in deze procedure hanteert. Nu het hier gaat om een oppervlakte van 140 m2, leidt dat tot een correctie naar (afgerond) € 2.400,- (€ 2.750 / 160 x 140).
Volgens [persoon A] is (ook) deze huurprijs niet realistisch. Zij heeft als onderbouwing een Funda-advertentie van een huurappartement in Rotterdam Centrum overgelegd van 104 m2 en een huurprijs van € 1.476,- per maand. De kantonrechter is van oordeel dat dit geen vergelijkbare ruimte betreft, alleen al niet omdat het om een appartement (en niet om een woning met een tuin) gaat en dit appartement in een hele andere wijk ligt.
Weliswaar heeft getuige [naam], vastgoedondernemer en eigenaar van een bouwonderneming, verklaard dat wat hem betreft € 2.000,- de maximum huurprijs is, maar daarbij heeft hij ook verklaard uit te gaan van een beschikbare oppervlakte van 110 m2, omdat rekening moet worden gehouden met funderingsbalken. De juistheid van deze opmerking over de beschikbare oppervlakte is verder op geen enkele wijze onderbouwd en blijkt in elk geval niet uit de door [naam stichting] overgelegde plattegronden. Uitgaande van de door getuige [naam] genoemde € 2.000,- voor een oppervlakte van 110 m2 zou er daarom reden zijn om uit te gaan van een huurprijs van € 2.545,45 (€ 2.000,- / 110 x 140).
[naam stichting] heeft bij haar conclusie na enquête en schriftelijke (tegen)bewijslevering nog twee nieuwe producties overgelegd. Het gaat om huurovereenkomsten (uit 2021 en 2024) van de aangrenzende woning, en deze dienen ter onderbouwing van de geldende huurprijzen ter plaatse. [persoon A] heeft er terecht op gewezen dat dit te laat is. Een conclusie na bewijslevering is daarvoor niet bedoeld, zoals [naam stichting] overigens ook zelf in haar conclusie onderkent. Die producties had [naam stichting] al eerder kunnen en moeten indienen zodat [persoon A] daarop in het kader van de bewijslevering had kunnen reageren. Deze producties laat de kantonrechter daarom buiten beschouwing.
Op basis van de drie inschattingen (2.9, 2.10 en 2.12) van (afgerond) € 2.750,-, € 2.400,- en € 2.545,- gaat de kantonrechter ervan uit dat een huurprijs van € 2.500,- per maand realistisch is. Dat leidt tot een jaaropbrengst van € 30.000,- (12 x € 2.500).
De jaarlijkse afschrijving voor aankoopkosten is € 814,-
De door [naam stichting] gehanteerde afschrijving van aankoopkosten van € 814,- per jaar en de berekening daarvan zijn op zich niet door [persoon A] betwist, althans [persoon A] heeft niet betwist dat minimaal dit bedrag in de berekening moet worden opgenomen. Voor zover [persoon A] heeft willen aanvoeren dat dit een hoger bedrag zou moeten zijn, gaat de kantonrechter hier later in dit vonnis op in.
De financieringskosten, vaste lasten en beheerskosten zijn niet betwist
De financieringskosten, vaste lasten en beheerskosten zijn door [persoon A] niet betwist. Die neemt de kantonrechter daarom over in de berekening.
De jaarlijkse afschrijving van verbouwingskosten is voor de winkel € 5.833,33 en voor de woning € 14.733,33
[naam stichting] heeft verder in haar berekening een post afschrijving verbouwingskosten opgenomen, met een afschrijvingsperiode van twintig jaar. De verbouwingskosten bestaan in het geval van de winkel uit de kosten van het funderingsherstel en de renovatie van het interieur. Voor de woning komt daar de aanleg van een kelderbak bij. De kantonrechter gaat hierna op deze posten in.
Funderingsherstel
[naam stichting] heeft gesteld dat de kosten van het funderingsherstel € 139.729,44 bedragen. Zij heeft ter onderbouwing daarvan een gespecificeerde offerte van Smit Funderingstechniek overgelegd. Ze heeft € 20.000,- van dit offertebedrag afgetrokken, omdat die kosten (naar schatting) zien op een mandelige scheidingsmuur. Zij gaat daarom voor de winkel uit van € 119.000,- aan kosten voor funderingsherstel. Voor de variant dat de ruimte wordt omgebouwd tot een woning heeft [naam stichting] ook een offerte overgelegd. Daarin wordt een bedrag van € 205.563,78 genoemd voor zowel funderingsherstel als het aanleggen van een kelderbak. De kantonrechter gaat er voor de berekening van uit dat in deze variant de kosten voor alleen funderingsherstel ook € 119.000,- bedragen.
[persoon A] heeft aangevoerd dat onduidelijk is wat de status van die offertes is en dat er mogelijk nog kosten bij komen. De kantonrechter gaat daar hierna op in. De kantonrechter begrijpt dat er geen discussie over is dat dit de minimale kosten van funderingsherstel zijn.
[persoon A] heeft er terecht op gewezen dat het funderingsherstel moet worden toegerekend aan het hele pand en dat dat dus verdeeld moet worden over de huidige drie woonlagen. Die berekeningswijze hanteerde [naam stichting] overigens ook zelf in haar spreekaantekeningen tijdens de mondelinge behandeling. Dat betekent dat deze kosten voor 1/3 worden toegerekend aan winkel. Daarom heeft de kantonrechter die voor € 39.666,67 meegenomen in de berekening.
Renovatie
[naam stichting] heeft verder gesteld dat de renovatiekosten van het interieur in het winkelscenario € 77.000,- bedragen, namelijk € 1.100,- per m2 x 70 m2 en in het woningscenario € 189.000,- namelijk € 1.350,- per m2 x € 140 m2.
Volgens [persoon A] moeten de renovatiekosten in beide scenario’s even hoog zijn. De kantonrechter oordeelt dat [naam stichting] voldoende heeft onderbouwd waarom de kosten voor renovatie van de winkel lager zijn. Zij heeft namelijk gesteld dat voor een woning meer voorzieningen en een hoger afwerkingsniveau zijn vereist. [persoon A] heeft dat niet (voldoende concreet) betwist.
Aanleg kelderbak
Uit de akte van [naam stichting] volgt verder dat de kosten van het aanleggen van een kelderbak circa € 66.000,- bedragen. Dat is namelijk het verschil tussen de in 2.18 genoemde offertes van Smit Funderingstechniek voor alleen het funderingsherstel en die voor zowel het funderingsherstel als het aanleggen van de kelderbak. Het verschil hiertussen is € 65.843,34.
Getuige [naam] gaat ook uit van een bedrag van die orde van grootte. Hij heeft namelijk verklaard dat funderingsherstel exclusief kelderbak ongeveer € 150.000 kost en inclusief kelderbak ongeveer € 200.000. [persoon A] heeft vervolgens aangevoerd dat er mogelijk nog kosten bij komen. Wat volgens haar dan een redelijk bedrag is en waar ze dat op heeft gebaseerd heeft ze echter niet aangevoerd. Daarom gaat de kantonrechter uit van het bedrag van € 66.000,-.
Conclusie verbouwingskosten
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het geval van het voortbestaan van de winkel uitgegaan kan worden van een post verbouwingskosten van in totaal € 116.666,67 (€ 39.666,67 + € 77.000,-). In het geval van de woning gaat het om een post van in totaal € 294.666,67 (€ 39.666,67 + € 189.000,- + € 66.000,-).
Door [persoon A] is niet betwist dat die kosten in twintig jaar worden afgeschreven. Dat leidt in geval van de winkel tot een afschrijving van € 5.833,33 per jaar en in geval de woning tot € 14.733,33 per jaar.
Conclusie rendementsverbetering
Het voorgaande leidt tot de volgende berekening. Daarbij is het jaarrendement berekend door de totale kosten per jaar af te trekken van de jaaropbrengst.
Winkel
Woning
Verschil
Jaaropbrengst huur
€ 12.156,00
€ 30.000,00
€ 17.844,00
Kosten per jaar
Afschrijving aankoop
€ 814,00
€ 814,00
€ -
Financiering
€ 1.872,20
€ 1.872,20
€ -
Vaste lasten
€ 750,00
€ 750,00
€ -
Beheerskosten
€ 303,90
€ 825,00
€ 521,10
Afschrijving verbouwing
€ 5.833,33
€ 14.733,33
€ 8.900,00
Totale kosten per jaar
€ 9.573,43
€ 18.994,53
€ 9.421,10
Jaarrendement
€ 2.582,57
€ 11.005,47
€ 8.422,90
Dit betekent dat aannemelijk is dat [naam stichting] een jaarlijkse rendementsverbetering van ongeveer € 8.500,- kan realiseren door de ruimte om te vormen tot woning. Dat is inderdaad een aanzienlijke stijging zoals [naam stichting] heeft gesteld.
[persoon A] heeft nog aangevoerd dat de aankoop-, funderingsherstel- en renovatiekosten van het interieur hoger zijn. Dat laat de kantonrechter in het midden. Die hogere kosten gelden dan namelijk voor beide scenario's. Het verschil in jaarrendement blijft dan dus hetzelfde. Bovendien wordt het woningscenario daardoor aantrekkelijker, aangezien hogere kosten het jaarrendement van de winkel dichtbij het nulpunt brengen, terwijl bij de woning het nulpunt (een stuk) verder weg is.
De verkoopwaarde en het BAR stijgen ook
[naam stichting] heeft ook gesteld dat de verkoopwaarde aanzienlijk zal stijgen. Daarover wordt het volgende overwogen.
Volgens getuige [naam] is de reële verkoopwaarde van de te realiseren woning € 400.000 tot € 475.000,- en de reële verkoopwaarde van de winkel € 200.000 tot € 250.000,-. Uitgaande van het gemiddelde van die bandbreedtes (€ 225.000,- en € 437.500,-), stijgt het mogelijke verkoopresultaat met € 34.500,- als er een woning wordt gerealiseerd. Het gaat daarbij om de verkoopwaarde min de totale investeringskosten.
Investeringskosten
Winkel
Woning
Verschil
Aankoop
€ 60.000,00
€ 60.000,00
-
OVB
€ 1.200,00
€ 1.200,00
-
Notariskosten
€ 1.800,00
€ 1.800,00
-
Projectmanagement
€ 16.000,00
€ 16.000,00
-
Funderingsherstel
€ 39.666,67
€ 39.666,67
-
Kelderbak
-
€ 66.000,00
€ 66.000,00
Bouwkosten
€ 77.000,00
€ 189.000,00
€ 112.000,00
Totale investeringskosten
€ 198.066,67
€ 376.066,67
€ 178.000,00
Verkoopwaarde
€ 225.000,00
€ 437.500,00
€ 212.500,00
Verkoopresultaat
€ 26.933,33
€ 61.433,33
€ 34.500,00
Volgens [naam stichting] is het BAR ook een belangrijk meetgetal voor beleggers. Volgens [persoon A] is dat ‘veel te absoluut’ gesteld maar daarmee is niet betwist dat dit geen relevante factor is. De kantonrechter begrijpt dat kennelijk voor het BAR de jaaropbrengst wordt uitgedrukt in een percentage van de totale investeringskosten. Ook dat percentage stijgt op basis van de hiervoor genoemde bedragen van 6,21% naar 8,03%.
Conclusie rendementsverbetering
De kantonrechter concludeert dat de omvorming van de ruimte tot woning naar verwachting leidt tot een rendementsverbetering van € 8.500,- per jaar, een verhoging van de (mogelijke) verkoopopbrengst van € 34.500,- en een stijging van het BAR met 1,82%. Met [naam stichting] is de kantonrechter van oordeel dat dit om een aanzienlijke verbetering gaat.
[persoon A] heeft het alternatieve scenario onvoldoende onderbouwd
[persoon A] heeft aangevoerd dat [naam stichting] ook een rendementsverbetering kan realiseren door een hogere huurprijs met haar af te spreken, of de kantonrechter te vragen om een gewijzigde huurprijs vast te stellen (artikel 7:303 BW). [persoon A] voert aan dat ze bereid is een hogere huur te betalen.
De kantonrechter gaat hieraan voorbij. [persoon A] had op grond van door haar aan te voeren feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken dat dit een redelijk alternatief scenario is. Zij had dan op zijn minst concreet moeten benoemen welke hogere huurprijs zij bereid is om af te spreken, onder welke voorwaarden en waarom het redelijk is dat [naam stichting] van die optie gebruikmaakt. Dat heeft zij niet gedaan.
De huurovereenkomst eindigt op 28 februari 2026
De conclusie is dat [naam stichting] een dringende noodzaak heeft om de bedrijfsruimte om te vormen tot een woning en dat dit niet mogelijk is zonder de huur te beëindigen. Daarom wijst de kantonrechter de eis van [naam stichting] toe (artikel 7:300 lid 3 en 7:296 lid 1 onder b BW).
De kantonrechter bepaalt het einde van de huurovereenkomst op 28 februari 2027 (artikel 7:296 lid 5 BW). De kantonrechter hanteert deze termijn van (bijna) zes maanden zodat [persoon A] enige tijd heeft om te ontruimen en eventueel nieuwe bedrijfsruimte te zoeken. Voor een langere termijn is geen reden omdat [persoon A] al lange tijd weet dat [naam stichting] de huurovereenkomst wil beëindigen en daar rekening mee heeft kunnen houden. De (juiste) opzegging heeft namelijk al ruim vier jaar geleden plaatsgevonden.
[persoon A] moet de ruimte ontruimen
De toewijzing van de eis van [naam stichting] geldt al als een veroordeling om de ruimte te ontruimen tegen 28 februari 2027 (artikel 7:296 lid 5 BW). De afzonderlijk geëiste veroordeling tot ontruiming wordt daarom afgewezen.
De kantonrechter machtigt [naam stichting] ook niet om de woning zelf te (laten) ontruimen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen (artikel 444 en 557 Rv).
De door [persoon A] geëiste verklaring voor recht wordt afgewezen
[persoon A] eist een verklaring voor recht dat de opzegging geen effect heeft, of dat zij na de renovatie het recht heeft om terug te keren. De kantonrechter begrijpt dat dit is gebaseerd op haar stelling dat zij met de voormalige verhuurder is overeengekomen dat de verhuurder de huurovereenkomst niet kan opzeggen. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat [persoon A] deze stelling (tegenover de betwisting door [naam stichting]) onvoldoende heeft onderbouwd en dat in deze procedure het wettelijk uitgangspunt geldt dat opzegging mogelijk is. De verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De door [persoon A] geëiste coronakorting wordt afgewezen
[persoon A] eist daarnaast een zogenoemde coronakorting over de periode maart 2020 tot en met maart 2022. Zij heeft niet gesteld of onderbouwd waarom zij daarop aanspraak heeft. Die eis wordt daarom ook afgewezen.
De door [persoon A] geëiste vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten wordt afgewezen
[persoon A] eist daarnaast een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten van € 330.000,-. Ook die eis wordt afgewezen. Uit niets blijkt dat [persoon A] van plan is om, ingeval van toewijzing van de eis van [naam stichting], de snackbar elders te gaan exploiteren en zij heeft ook op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt welke verhuis- en inrichtingskosten zij in dat geval naar verwachting zal maken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om haar daar alsnog de gelegenheid voor te geven, zoals zij heeft verzocht in het slot van haar conclusie na enquête. Het had op de weg van [persoon A] gelegen om in haar conclusie van eis in reconventie al de feitelijke grondslag van haar eis op te nemen (artikel 137 en 111 lid 3 Rv).
[persoon A] moet de proceskosten betalen
Zowel de vorderingen van en tegen [naam C.V.] worden afgewezen. Dat brengt mee dat de proceskosten over en weer worden gecompenseerd. Met betrekking tot de vorderingen van [naam stichting] in conventie en de vorderingen van [persoon A] in reconventie tegen [naam stichting], geldt dat de proceskosten voor rekening van [persoon A] komen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] in conventie aan [naam stichting] moet betalen op € 107,32 aan dagvaardingskosten, € 128,- aan griffierecht en € 976,50 aan salaris voor de gemachtigde (4,5 punten x € 217,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [naam stichting] begroot op € 1.155,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 2 punten x € 1.155,-). Voor kosten die [naam stichting] maakt na deze uitspraak moet [persoon A] een bedrag betalen van € 108,50. Dat is in totaal € 2.475,32. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Alleen de proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad
Alleen de proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam stichting] dat eist en [persoon A] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat dit deel van het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Het vaststellen van de einddatum van de huurovereenkomst wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het verweer van [persoon A] is namelijk niet kennelijk ongegrond (artikel 7:295 lid 1 BW). Dat volgt alleen al uit het feit dat voor het beoordelen van deze eis bewijslevering nodig was.
3. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
stelt vast dat de huurovereenkomst eindigt op 28 februari 2027 en dat [persoon A] de bedrijfsruimte aan de [straatnaam] te [locatie ] uiterlijk op die datum moet ontruimen;
in conventie en reconventie;
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van [naam stichting] in conventie en reconventie, die in totaal worden begroot op € 2.475,32 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
compenseert de proceskosten van [naam C.V.] en [persoon A] in die zin dat partijen met de betrekking tot de tegen elkaar ingestelde vorderingen over en weer de eigen kosten dragen;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
33394