2. De feiten
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007;
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2009.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige zoon van partijen [minderjarige 1] in de periode van 5 tot 16 augustus 2025 naar Portugal te reizen.
4. De beoordeling
De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] heeft sinds de zomer van 2024 het contact met zijn vader verbroken. Sindsdien wil de man niet meer met de vrouw communiceren. De vrouw heeft de man verzocht in te stemmen met de vakantie naar Portugal met [minderjarige 1] van 5 augustus 2025 tot 16 augustus 2025, maar de man reageert hier niet op. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar verzoek aangezien de vakantie al nadert.
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vervangende toestemming voor de vakantie samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man alsnog zijn toestemming verleend voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] naar Portugal in de periode van 5 augustus 2025 tot 16 augustus 2025. De man heeft de benodigde toestemmingsformulieren ondertekend en, tezamen met een kopie van zijn paspoort, aan de vrouw overhandigd. Gelet op het feit dat de man alsnog zijn toestemming voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige 1] heeft verleend, heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, en, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.